Samen liggend in de sneeuw

De maan drijft boven de zwaartekracht,
warm gekleed op gras wit belegen,
droomt ze verstild, zacht, tekent ze
met haar vingers sterrenbeelden tot bewegen,
peuzelt ze van de stille nacht.

Geruisloos verkreukelt ze verleden
tot een propje heden, ze lacht,
zingt zacht, een psalm, een rap of snik,
flarden fluisteren op de winterwind
tot wat ze schrijft haar zint.

Naast haar, luistert hij
zonder te horen, kijkt hij, tuurt
zonder te zien, verlaten, alleen,
huidloos in een wereld die zo vol is
dat zelfs een streling schuurt.

Over handen die beven, neuriët ze,
zonder oorlog bevecht ik geen vrede,
zonder schaduw zie ik geen licht,
zonder pen schrijf ik geen dicht,
zonder beklimming nooit een vergezicht,
en toch.

Ze draait naar hem toe en ziet
in het venster van zijn natte ogen 
opgesloten in zijn eigen hart niet
hoe hij voelt, tast en schraapt over het bitterzoete landschap,
om te stoppen met zoeken en dan te vinden,
het slot zit ook maar gewoon van binnen.

Zijn handen legt ze in de hare,
schrijft om te blijven, hun namen samen
te bewaren, in de sneeuw en staat op, omdat ze ziet
dat bij iedere briesje hun namen worden uitgewist.

Hij staat op, maakt van twee een,
de maan drijft boven de zwaartekracht,
sneeuwvlokken maken gras weer wit belegen,
laat de stille nacht in wind bewegen,
alleen hun indrukken blijven,
wie wat vindt, heeft niet gezocht,
maar wel wat te geven.

– Kerstgedicht voor kerstconcert van fanfare-orkest Euterpe,
zeven strofen omlijst door muziek –